Geworteld in de polder: Familie de Jong

Bij de beschrijving van hoe de famillie De Jong geworteld is geraakt in de polder moet je beginnen bij onze roots in de provincie Friesland. Naar goed gebruik werden namen doorgegeven en zo wil ik beginnen bij mijn pake Pieter Eelkes (1895) die een veehouderijbedrijf bestierde samen met zijn broer Bartele in Teroele. In de waterrijke provincie was het hard werken. Hun land lag grotendeels aan de overkant van het Coevorder meer, vervoer van vee en hooi ging met de praam, om bijvoorbeeld één praam hooi van het land te halen was je al zo’n 6 uur zoet.

Het veebedrijf was daar overgenomen van zijn ouders en samen met ús beppe, Antje Klijnstra (1896) eveneens uit een veehouderijgeslacht, uit de regio Jutrijp. Uit een notariële akte uit 1927, van notaris Faber uit Langweer, blijkt deze famillie voor die tijd toen al een behoorlijk bezit te hebben gehad, ongeveer 35 ha. Een notaris die in 1935 failliet ging omdat hij het vermogen wat hij van klanten had belegd in aandelen en flink verloor tijdens de crisis. Deze crisis sloeg gemeen hard om zich heen, extreem lage prijzen voor landbouwproducten, inkomens lagen
afhankelijk van de grootte van het bedrijf vaak onder de 1.000 gulden.
Dit deed mijn pake ook ertoe doen besluiten om te gaan solliciteren in de Wieringermeer en zo moest hij “op zicht“ komen. Dat hield in een fietstocht van Teroele naar de Meer over de pas aangelegde Afsluitdijk, en dat tussen de melkbeurten door. In 1934 werd de boel verkocht. Met een kleine 5.000 gulden startkapitaal verhuisde men in juni 1935 naar Slootdorp, waar een boerderij aan de Ulkeweg 47 werd betrokken.
Mijn vader Eelke Pieters (1922) was toen de oudste zoon van het gezin dat verder bestond uit een oudere zus (1920) en jongere broer (1927). In de polder is nog een zoon geboren, Bartele die het gezin completeerde in 1939.
Het was pionieren in de polder en op hun bedrijf van toen 24 ha werd toen nog veel met paarden gedaan ook al kwam de eerste mechanisatie op. Het ideaalbeeld was een gemengd bedrijf en zo moesten de veehouders leren hoe ze aardappels en bieten, vlas en graan moesten verbouwen. Dit heeft mijn vader met cursussen op de landbouwwinterschool in Slootdorp zich eigen gemaakt. Maar er kon ook altijd een beroep worden gedaan op
andere boeren, zoals Maris aan de Ulkeweg.
De oorlogstijd heeft men doorstaan tot het moment van evacuatie, toen met schamele huisraad met paard en
wagen de polder moesten verlaten naar opvang in Wieringerwaard, later heeft men nog een periode in het polderhuis in Anna Paulowna gewoond. In 1946 werd de draad weer opgepakt. In het midden van de jaren ‘50 werd mijn vader erop attent gemaakt door zijn zus dat er een leuk meisje was in de Hommerts. Na correspondentie per brief en ritjes op de DKW over de Afsluitdijk kon het jonge geluk in 1958 een Zweedse noodwoning betrekken aan de Kooltuinenweg.
Mijn moeder beschreef in bewaard gebleven correspondentie de woning als “van buiten een groot kippenhok maar van binnen heb je daar geen erg in. Een flinke ruime woonkamer met één aardige slaapkamer en één heel kleine slaapkamer. ‘k Hoop dat er ook een tweepersoonsledikant kan staan”. Verder bestond de woning uit een keuken, aardig ruim en een wc met closet. De huur bedroeg 6,50 gulden en aangezien het maar voor een paar jaar was had het jonge stel ook maar besloten om te gaan trouwen. Later hebben mijn pake en beppe hier ook nog een poosje gewoond toen zij van de boerderij gingen en hun nieuwe woning aan de Koningin Julianalaan werd gebouwd.
Een keerpunt was de brand in augustus 1968, het gezin
bestond uit drie kinderen waarvan ik de jongste van de drie was. ’s Avonds om half twaalf werden wij uit onze slaap gewekt door de buurjongen die net zijn meisje naar huis had gebracht.
De brandweerkorpsen van Wieringerwerf en Slootdorp konden niet voorkomen dat de boerderij afbrandde waarbij het voorhuis bleef staan maar de muren door de hitte waren kromgetrokken en uiteindelijk alles gesloopt moest worden. Gelukkig is niemand bij de brand gewond geraakt en is ook geen vee omgekomen. De materiële schade was echter groot, en dat op een moment dat de oogst voor de deur stond.
De boerderij is nooit herbouwd en na tijdelijk in een woning aan de Molenweg kreeg men ons huidige bedrijf aan de Schelpenbolweg aangeboden van de Domeinen. De beslissing moest ongezien genomen worden en men wist alleen dat het bedrijf 35 ha groot was en met de boodschap “dat er wel werk aan zat”. De grond was enigszins verwaarloosd en ook lichter van grondsoort waar het onkruid goed wilde gedijen.
Hier hebben we nog lange tijd een gemengd bedrijf met melkvee gehad en hebben we uiteindelijk de keuze gemaakt om te kiezen voor akkerbouw tot het moment dat ik zelf het bedrijf overnam in november 1988. Op dat moment was ik één van de jongste pachters van de polder en heb ik de traditie van het boeren voortgezet.
Tussendoor kreeg ik nog de gelegenheid om het bedrijf te vergroten tot de huidige 40 ha en heb ik het bedrijf altijd zo ingericht dat er ook tijd was voor werk naast de boerderij. Werkzaamheden naast je eigen bedrijf verruimt je blik en hierdoor opgebouwde contacten zijn zeer waardevol.
Door de grote veranderingen die in de polder plaatsvonden raakte ik politiek geïnteresseerd. Je ziet het landschap veranderen en vraagt je af waarom besluiten tot stand zijn gekomen en of dit nu het pad is dat we willen ingaan. Als 3e generatie met wortels diep in de polder begrijp je dat concessies soms nodig zijn maar koester je de openheid van het landschap. Je bent zuinig op je geboorte- maar zeker op agrarische grond.
Als boer ben je gewend om eerst te zaaien voordat je kunt oogsten. Wil iets tot wasdom komen, dan moet je naast geduld ook een lange adem
hebben alvorens je inspanningen worden uitbetaald. Dingen uitzoeken en dan gefundeerde besluiten nemen, de kennis en ervaring als ondernemer meenemen. Het is leuk dit nu op een andere wijze te kunnen toepassen. Zeg maar gezond boerenverstand gebruiken al zullen anderen dit als boerenslimheid bestempelen. Beide goed. Daar wil ik graag nog een heel poosje mee verder gaan.
Pieter de Jong




