Nieuws

Wintergeluk

Afgelopen donderdag, zo rond een uur of drie, besloot Banjer dat het tijd was voor avontuur. Nu wil dat bij  anjer
zeggen: snuffelen aan elk paaltje tussen ons huis en het kanaal. Dus ik trek mijn dikke winterjas aan, zo’n jas waar je automatisch rechtop van gaat lopen, muts op, sjaal om, handschoenen aan, en hup, daar gingen we.

Het vroor een graad of drie. De wereld was wit berijpt, de lucht helderblauw en de zon deed dappere pogingen om ons te misleiden met zijn aanwezigheid. Banjer rende vrolijk vooruit, zijn adem dampend als een stoomlocomotief. Ik daar achteraan, meer waggelend dan wandelend, met vingers die langzaam in iets veranderden wat Loes later zou omschrijven als “ijslolly’s met een trouwring”.

En tóch… was het heerlijk. De stilte van een wintermiddag, onderbroken door het kraken van bevroren gras onder
je voeten en het blije gehijg van een hond die zijn geluk niet op kan. Dat is wintergeluk in zijn puurste vorm. Niet
in de folderachtige beelden van schaatsende kinderen of romantische arresleetochten, maar in een simpel rondje
door je eigen wijk, met tintelende wangen en snot aan je neus.

Bij het bankje langs het kanaal, dat in de zomer nog dienstdoet als rustpunt voor fietsende bejaarden met thermoskannen, plofte ik even neer. Banjer duwde zijn snuit in de berg bladeren, schudde even met zijn kop alsof
hij er spijt van had, en trippelde door. Ik zat daar, met klapperende knieën en een neus als een tomaat, en dacht:
het leven is hier niet verkeerd.

Ik moest ineens denken aan vroeger. Aan die keer dat Hendrik, toen nog een jochie van zeven, met rode oren
en bevroren wanten thuiskwam van het sleeën. Loes had chocolademelk klaarstaan, met zo’n dikke toef slagroom
waar je lepel rechtop in bleef staan. “Ik wil nooit verhuizen,” zei hij toen, “hier is het warm.” En dat klopt. Niet qua temperatuur, onze woonkamer kreeg het met moeite boven de negentien graden, maar qua gevoel.

Thuis wachtte Loes ook nu met warme chocomel, en Banjer kreeg een koekje, dat laatste waarschijnlijk omdat
hij niet klaagde over zijn tenen. Ik nestelde me in mijn stoel, Banjer aan mijn voeten, en dacht: laat de lente nog
maar even wegblijven. De zomer is voor druktemakers. De winter is voor doorstappers. Voor rode wangen, krakende ochtenden en kopjes die stomen op de vensterbank.

Loes keek me aan en zei: “Zo, je ziet eruit alsof je een berg hebt beklommen.” Ik knikte tevreden. “Dat bankje bij het kanaal is ook niet niks.” Ze glimlachte. “Winterheld.” Banjer zuchtte diep, rolde zich, en viel in slaap.

Laat meer zien

Gerelateerde artikelen

Back to top button