We klagen ons door de zomer heen

Vanmorgen werd ik wakker omdat Loes naast me het dekbed van zich af gooide. ‘Het is niet normaal meer,’ zuchtte ze. Dat vond ik een stevige conclusie voor half zeven, dus vroeg ik wat er precies niet normaal was. ‘Die
warmte. Ik heb geen oog dichtgedaan.’ Dat laatste betwijfelde ik. Rond drie uur lag er naast mij nog iemand
een middelgroot bos om te zagen. Maar na zoveel jaren huwelijk weet je wanneer zwijgen verstandiger is.
Naast het bed lag Banjer languit op de vloer. Onze golden retriever had vannacht verschillende plekken geprobeerd, kennelijk op zoek naar een stukje laminaat dat niet de temperatuur van een gourmetplaat had.
Beneden wees de thermometer 26 graden aan. Buiten was het 19. Ik zette de achterdeur open. ‘Deur dicht!’ riep Loes van boven. ‘Straks komt de warmte binnen.’ ‘Maar buiten is het kouder!’ Even bleef het stil. ‘Toch dicht!’ Kijk, daar houdt de wetenschap op en begint het huwelijk. Een paar maanden geleden zaten we nog aan dezelfde ontbijttafel terwijl de regen tegen de ramen sloeg.‘ Wanneer krijgen we nou eindelijk eens zomer?’ vroeg Loes toen. We wilden zon, warmte, barbecueën en lange avonden buiten. Nu hebben we het. Dus kan het klagen beginnen. Een Nederlander wil namelijk best zomer, maar onder voorwaarden. Een graad of 23, een klein briesje en ’s nachts graag 14 graden. Regen mag uitsluitend tussen drie en vijf uur ’s nachts.
Tijdens mijn vroege wandeling met Banjer kwam ik een buurman tegen. ‘Warm hè?’ ‘Ja.’ ‘Morgen wordt het nog
warmer.’ Hij zei het alsof het KNMI een nationale ramp had aangekondigd. Daarna volgden de adviezen. Bij tropische temperaturen blijken Nederlanders ineens allemaal klimaatdeskundige. Ramen vroeg open. Gordijnen dicht. Ventilator aan. Nat laken voor het raam. ‘Werkt dat?’ vroeg ik. ‘Geen idee. Las ik op Facebook.’ Daar kan geen wetenschap tegenop.
Thuis zette ik de ventilator aan. Stand één deed niets. Stand twee verplaatste warme lucht. Stand drie deed hetzelfde, maar met meer lawaai. Toch gingen Loes en ik er tevreden voor zitten. ’s Middags kwam kleindochter Babette langs en stond binnen vijf minuten haar zwembadje in de tuin. Opa mocht pompen. Tegen de tijd dat het bad stond, had ik meer vocht verloren dan erin paste. ’s Avonds gingen alle ramen open en volgden we de thermometer. 26,8 graden. Even later 26,6. ‘Het koelt af!’ riep Loes enthousiast. Twee tiende graad. Een mens kan met weinig gelukkig zijn.
Over een paar maanden zitten we weer binnen. Regen tegen het raam, verwarming aan. Dan zegt Loes waarschijnlijk: ‘Weet je nog, die zomer dat het zó warm was?’ En ik weet nu al mijn antwoord. ‘Heerlijk was dat.’ Wij Nederlanders hebben geen slecht weer nodig om te klagen. Wij hebben alleen weer nodig.




