Geworteld in de polder: Slagerij van ‘t Riet
Toen de Wieringermeer nog volop in opbouw was, zag Jan Dirk van ’t Riet mogelijkheden om er een bestaan op te bouwen. Vanuit Broek op Langedijk bezorgde hij vanaf 1930 al vlees in de nieuwe polder. Later kon er een slagerij worden gebouwd. Inmiddels zijn vier generaties bij het familiebedrijf betrokken geweest en is er in bijna een eeuw veel veranderd. Het ambacht bleef.
Jan Dirk en zijn vrouw Alie stonden aan de basis van het bedrijf. Naast de slagerij had Jan Dirk land en hield hij
koeien. In de beginjaren draaide het vak vooral om slachten, worst maken en de verkoop van vlees. Het
assortiment was overzichtelijk. Gehakt, karbonade, speklappen en saucijzen vormden een belangrijk deel van het aanbod.

Ook huisslachtingen kwamen veel voor. Een boer bracht een koe of varken naar de slager, waarna het vlees werd verwerkt tot onder meer lappen, gehakt, karbonade, speklappen en saucijzen. Later veranderde de vraag en verschenen steeds meer vlugklaarproducten in de toonbank, zoals tartaar en verschillende schnitzels. Na Jan Dirk namen Jaap en Gert het bedrijf in 1951 over. Vanaf 1976 ging Gert verder en in 1982 kwam Ton erbij. Sinds 1990 staat Ton aan het roer.
In al die jaren veranderde niet alleen het assortiment. Ook achter de toonbank ging de techniek met zijn tijd mee. Ton herinnert zich nog de Berkel-weegschaal waarop alleen het gewicht was af te lezen. Met potlood en papier moest vervolgens aan de hand van de kiloprijs worden uitgerekend wat de klant moest betalen. Een kilo gehakt kostte in die tijd bijvoorbeeld 2,50 gulden.
Later kwamen weegschalen waarop de kiloprijs met hendels kon worden ingesteld. Daarna volgden apparaten met toetsen en een eigen nummer voor ieder product. Tegenwoordig gebeurt het computergestuurd en kan alles digitaal worden ingesteld.
Ook leveranciers speelden een rol in de ontwikkeling van het assortiment. Er kwamen steeds meer kruidenmelanges beschikbaar en daarmee groeiden de mogelijkheden. Toch hoeft volgens Ton niet iedere nieuwe smaak in de toonbank te belanden. Er moeten keuzes worden gemaakt. Naast nieuwe producten blijven vertrouwde artikelen als de slavink en de hamburger gewoon bestaan. Hetzelfde geldt voor het ambacht. Worst, leverworst, grillworst, achterham en slagersham worden nog altijd zelfgemaakt. „Heel veel blijft hetzelfde, omdat het lekker is”, aldus Ton.
Nieuwe generatie
Ook nu is de familie nog volop betrokken. Dochter Marissa werkt de hele week in het bedrijf. Kleinzoon Levi liep er vijf jaar stage en de 16-jarige kleindochter Enola helpt tijdens vakanties en op zaterdagmiddag. Ook de inmiddels 94-jarige Japke is volgens Ton langzaam aan het afbouwen.
Samenwerken met familie heeft volgens hem vooral voordelen als iedereen goed met elkaar overweg kan. Dingen voor elkaar overhebben, aanpakken wanneer dat nodig is en samen genieten wanneer het kan, horen daarbij. De balans tussen familie en bedrijf omschrijft hij eenvoudig als geven en nemen.
Over een volgende generatie wordt inmiddels nagedacht, maar zulke beslissingen worden niet in een paar dagen genomen. Ton ziet nog altijd toekomst in het vak. Het betekent soms lange dagen, maar het resultaat geeft hem veel voldoening. Zijn belangrijkste voorwaarde daarbij is simpel: gezond blijven. En waar de slagerij over tien of twintig jaar staat? Daar heeft Ton een nuchter antwoord op: „Komt tijd, komt raad.”

Foto: Anneriet Hoogland
Herinneringen van Japke aan de slagerij
In 1951 kwam Japke naar de Wieringermeer om als dienstmeisje te werken bij Jaap en Nellie. Daar leerde ze Gert kennen. Twee jaar later trouwden ze en zo kwam ze zelf in de slagerij terecht. Het begin van een leven waarin het familiebedrijf een belangrijke rol zou spelen.
Het werk zag er destijds heel anders uit dan tegenwoordig. Het vlees werd in de winkel gesneden en voor de klanten in papier verpakt. Op maandagochtend gingen Gert en Klaas van ‘t Riet en Nan Rotgans naar de veemarkt in Alkmaar om vee te kopen. Een koe en twee varkens bijvoorbeeld. De dieren werden levend naar de slagerij gebracht, waarna het slachten en uitbenen kon beginnen.
Ook voor kinderen leverde de slagerij bijzondere momenten op. Schooljongens kwamen de varkensblaas ophalen. Die werd opgeblazen en na het drogen gebruikt als voetbal.
Dat werken met levende dieren niet altijd volgens plan verliep, weet Japke nog goed. Zo ontsnapte eens een koe bij boer Kroon. Het dier dook het kanaal in, zwom naar de overkant en bleef vervolgens weken weg. Uiteindelijk werd de koe teruggevonden tussen het vee van een boer in Slootdorp. Veel leverde het avontuur niet op: het dier was in de tussentijd flink vermagerd.
Een andere koe koos een nog opmerkelijker vluchtroute. Vanuit de slachtplaats liep het dier door de gang rechtstreeks de woonruimte in. Daar botste de koe tegen een staande schemerlamp en kreeg de lampenkap op de kop. Vervolgens zette het dier zijn poten in de vensterbank. Uiteindelijk lukte het om de koe te pakken en terug te brengen naar de slachtplaats. De vloerbedekking hield er volgens Japke wel een blijvende herinnering aan over.
Ook een varken wist eens te ontsnappen. Het dier ging ervandoor en belandde in de Torenstraat, waar het in de tuin van de familie De Bakker stond te wroeten en daarna bij dr. Hoogkamer. Zulke gebeurtenissen bleven in het dorp niet lang onopgemerkt. Ook weet Japke nog dat meester Aalders elk jaar met de leerlingen van de zesde klas kwam kijken bij het slachten. Niet ieder kind vond het even prettig om te zien wat daar gebeurde. Wie het allemaal wat te veel werd, en wat bleek om de neus werd, ging gauw naar buiten. Een plakje worst in de slagerij hielp vervolgens om weer bij te komen.




